Kwaliteit snijmaïs zit in de kolf

01 juli 2010
-
2 minuten

Het Glucose Leverend Vermogen (GLV) kan een groot effect op het resultaat hebben. Hoe hoger het GLV, hoe meer melk en hoe hoger het eiwitpercentage. Melkveehouders kunnen het gehalte zelf beïnvloeden.

Belangrijk onderdeel van het rantsoen op veel melkveebedrijven is snijmaïs. De GLV bijdrage in het rantsoen dat een goede kwaliteit snijmaïs heeft ten opzichte van kuilgras is ongeveer twee keer zo groot, namelijk 150 gg/kg ds tegenover 80 gg/kg ds. Het GLV wordt voor een belangrijk deel bepaald door zetmeel en het bestendig zetmeelgehalte van snijmaïs. Zolang het rantsoen minder dan 6 kg droge stof snijmaïs bevat, zijn het percentage zetmeel en het GLV uiterst belangrijk voor de prestatie van de melkkoeien. Rantsoenen met meer dan 80 procent snijmaïs komen, vanwege het grotere aandeel snijmaïs in het totale rantsoen, gemakkelijker aan de minimumnorm GLV. Het minimumniveau van GLV voor een koe tot 120 dagen in lactatie is 120 gg/kg ds.

Bepalende factoren

Het GLV van snijmaïs is afhankelijk van veel factoren, zoals snijmaïsras, bemesting, groei- en weersomstandigheden, watervoorziening rondom bloei, afrijping van de snijmaïs, oogsttijdstip en hakselen en conservering. Sommige factoren zijn tot en met het oogsten nog te beïnvloeden. Het gaat bijvoorbeeld om het tijdstip van oogsten, het hakselen en de conservering van de kuil.

Figuur 1: Verdeling snijmaïs op basis van drogestofgehalte


In figuur 1 is de verdeling van snijmaïs op basis van drogestofgehalte weergegeven (bron: De Heus VoedersBlgg AgroXpertus 2009). Uit deze verdeling is af te leiden dat maar liefst 40 procent van de snijmaïskuilen een drogestofgehalte heeft dat lager is dan 34 procent.

De deegrijpheid van de korrel bepaalt voor meer dan 70 procent het drogestofgehalte van snijmaïs!

Het kolfaandeel ten opzichte van het plantaandeel en het drogestofgehalte van de kolf zijn het meest bepalend voor de totale droge stof van snijmaïs. Bij een normaal kolfaandeel (50 procent) en een goede deegrijpheid van de korrel (50 procent) wordt 70 procent van de totale droge stof van snijmaïs bepaald door de kolf. Voor de voederwaarde is het van essentieel belang om de rijpheidsstadia en de bijbehorende droge stof van de kolf te kunnen beoordelen (figuur 2). Om het gewas goed op rijpheid en droge stof in te schatten, is het noodzakelijk om een maïskorrel uit het midden van de kolf in de lengte door te snijden, zodat de positie van de melklijn duidelijk zichtbaar is. Ook is het raadzaam om dit op meerdere plaatsen in het perceel steekproefsgewijs te doen. Door verschillende omstandigheden kan de afrijping binnen de percelen soms sterk wisselen.

Figuur 2 Doorsnede van de korrel en verschillende rijpheidsstadia met drogestofgehalte van de kolf (bron: ASG)

Kwaliteit oogsten

In figuur 3 staat de relatie tussen drogestofpercentage en zetmeelgehalte centraal. Door voldoende droog te oogsten is een hoger zetmeelgehalte te bereiken en een hogere voederwaarde te realiseren. Dit geldt naast het zetmeelgehalte ook voor VEM, GLV en het bestendig zetmeelgehalte van de snijmaïs (figuur 3).


Figuur 3 Voederwaarde snijmaïs in relatie tot droge stof 


Hoe groter de oppervlakte van het kader, hoe hoger de voederwaarde van de snijmaïs is. Snijmaïs met een droge stof lager dan 32 procent scoort duidelijk laag in voederwaarde. Snijmaïs met een droge stof tussen 32-34 procent heeft een lagere GLV, zetmeel en bestendig zetmeel, maar laat wel een behoorlijke VEM zien. Deze snijmaïs kan toch een relatief hoge VEM realiseren door een hoge plantverteerbaarheid en is vooral geschikt in rantsoenen met een groot aandeel snijmaïs. Snijmaïs met droge stof rond 35 procent is juist geschikt in rantsoenen die maximaal 6 kg droge stof snijmaïs bevatten. De kwaliteit wordt ook bepaald door het hakselen en inkuilen. De stoppellengte beïnvloedt eveneens de voederwaarde van snijmaïs. Door op hogere stoppellengte te hakselen, neemt het kolfaandeel ten opzichte van het plantaandeel toe, zodat de voederwaarde stijgt. De fijnheid van hakselen is optimaal wanneer de plantdelen net zo groot zijn als ‘de lengte van je neus’ en de korrel in minimaal vier delen wordt gesplitst. Kortom: het gewas niet te fijn hakselen en de rollen van de korrelkneuzer voldoende dicht op elkaar zetten. Het apart aanleggen van een zomeren winterkuil voor snijmaïs biedt ook voordelen: de zomerkuil kan dan minder hoog worden gemaakt en een lager drogestofgehalte bevatten. Hierdoor zal de voersnelheid in de zomer minimaal 2,5 meter in de week zijn en is de broeigevoeligheid van de kuil minder. Het voordeel van het gebruik van inkuilhulpmiddelen is duidelijk bewezen. Bonsilage Maïs is een inkuilhulpmiddel dat op drie punten verbetering geeft:
→ sneller inkuilproces, daardoor minder fermentatieverliezen;
→ minder vorming van gisten en schimmels;
→ betere verhouding melkzuur/azijnzuur in de kuil.
Met Bonsilage Maïs is een rendement van 1:3 te verwachten: 1 euro investeren is 3 euro verdienen!